Leerplan: Niveau 1

Geschreven door Raquel MacKay: Leraar, Engels ESL en Spaans K tot 8

Les 1: Dieren 1

OVERZICHT & DOEL

  • Studenten leren de namen van gewone huisdieren en huisdieren
  • De leerlingen maken kennis met meervoudige en enkelvoudige zelfstandige naamwoorden
  • Leerlingen leren zeggen: “Dit is een _________”
  • Studenten maken kennis met “en”

WOORDENSCHAT

  1. Vogel
  2. Vogels
  3. Een blauwe vogel
  4. Hond
  5. Twee honden
  6. Dit is een hond
  7. Kat
  8. Hallo, ik ben een kat
  9. Een kat en een hond
  10. Vis
  11. Dit is een vis

ONLINE-ACTIVITEITEN

  1. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  2. Leerlingen bekijken een video met nieuwe woordenschat
  3. De leerlingen maken een korte test

OFFLINE-ACTIVITEITEN

  1. Print en knip Dieren 1 flashcards
  2. Print de werkbladen Dieren 1 van 1 tot en met 5 en vul deze in

Les 2: Getallen 1

OVERZICHT & DOEL

  • De leerlingen leren de cijfers 1 t/m 10
  • De leerlingen leren hoe ze een getal voor een zelfstandig naamwoord kunnen zetten
  • De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Er zijn______’

WOORDENSCHAT

  1. One
  2. Twee
  3. Drie
  4. Vier
  5. Vijf
  6. Zes
  7. Zeven
  8. Acht
  9. Negen
  10. Tien
  11. Eén tijger
  12. Twee leeuwen
  13. Drie raketten
  14. Drie eenden
  15. Vier pinguïns
  16. Zes dinosaurussen
  17. Er zijn zes dozen
  18. Er zijn acht nijlpaarden

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over getallen
  3. De leerlingen luisteren naar een luisterboek over getallen
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  5. De leerlingen maken een korte test

OFFLINE-ACTIVITEITEN

  1. Nummers 1 poster afdrukken
  2. Print Numbers1 woordenschat
  3. Print en knip de Flashcards van Nummer 1 uit
  4. Print de werkbladen van Nummer 1 van 1 tot en met 5 uit en vul deze in

Bekijk een voorbeeldvideo: Les 1 -> Dieren 1

Les 3: Dieren 2

OVERZICHT & DOEL

  • Leerlingen leren de namen van verschillende dieren
  • De leerlingen horen de zinsnede “Dit is een ______”
  • Leerlingen maken kennis met het woord ‘baby’
  • De leerlingen horen enkelvoudige en meervoudige zelfstandige naamwoorden

WOORDENSCHAT

  1. Olifant
  2. Een babyolifant
  3. leeuw
  4. Lions
  5. Dit is een leeuw
  6. Zebra
  7. Zebra's
  8. Een babyzebra en een mamazebra
  9. Aap
  10. Apen
  11. gorilla
  12. Dit is een babygorilla
  13. Giraffe
  14. Een babygiraffe
  15. Hert
  16. Dit is een hert
  17. Tijger
  18. Dit is een witte tijger
  19. Beer
  20. De beer eet honing
  21. Neushoorn
  22. Konijn
  23. Dit is een konijn
  24. Muis
  25. Dit is een muis
  26. Nijlpaard

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over wilde dieren
  2. De leerlingen luisteren naar een audioboek over dieren
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  4. De leerlingen maken een korte test

OFFLINE ACTIVITEITEN – VUL DEZE SECTIE IN 

  1. werkbladen
  2. Flashcards

Les 4: Kleuren 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de kleuren: blauw, rood, geel, paars en groen
  2. Leerlingen leren hoe ze het woord “a” voor het bijvoeglijk naamwoord (kleur) en het zelfstandig naamwoord kunnen plaatsen
  3. De leerlingen concentreren zich op enkelvoudige zelfstandige naamwoorden

WOORDENSCHAT

  1. Blauw
  2. Een blauwe hoed
  3. Een blauwe vis
  4. Een blauwe jurk
  5. Rood
  6. Een rode hoed
  7. Geel
  8. Een gele slang
  9. Paars
  10. Een paarse eend
  11. Een paarse octopus
  12. Een paarse hoed
  13. Groen
  14. Een groene auto
  15. Een groene dinosaurus

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin de kleuren en zelfstandige naamwoorden worden geïntroduceerd
  2. De leerlingen luisteren naar een audioboek over de kleuren
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 5: Kleuren 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de kleuren: roze, zwart, bruin, wit, rood en oranje
  2. De leerlingen leren een “a” voor het bijvoeglijk naamwoord (kleuren) en het enkelvoudig zelfstandig naamwoord te zetten
  3. Leerlingen leren dat de kleur vóór het zelfstandig naamwoord komt, zowel in het enkelvoud als in het meervoud
  4. Leerlingen oefenen met het woord ‘en’

WOORDENSCHAT

  1. Roze
  2. Een roze auto
  3. Roze schoenen
  4. Roze olifanten
  5. Roze flamingo's
  6. Zwart
  7. Een zwart paard
  8. Een zwarte kat
  9. Zwart-wit
  10. Bruin
  11. Een bruine hond
  12. Een bruine draak
  13. Een bruine aap
  14. Wit
  15. Een witte bal
  16. rood en groen
  17. Een rode draak
  18. Oranje

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze eerder geleerde kleuren herhalen en nieuwe woordenschat over kleuren introduceren
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over kleuren
  3. De leerlingen luisteren naar een audioboek over kleuren
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 6: Eten 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren basiswoorden over eten en drinken
  2. De leerlingen leren het woord ‘drinken’ terwijl ze enkele dieren uit eerdere lessen bekijken
  3. Leerlingen leren dat het meervoud van 'ei' een 's' heeft, terwijl de andere woorden hetzelfde blijven, ongeacht of ze enkelvoud of meervoud zijn

WOORDENSCHAT

  1. Melk
  2. De kat drinkt melk
  3. Snijden
  4. De muis is dol op kaas
  5. Ei
  6. Eieren
  7. Een blauw ei
  8. Water
  9. De hond drinkt water
  10. Brood
  11. Boter

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over basisvoedsel en -drinken
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 7: Eten 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Studenten leren meer voedselwoorden, met de nadruk op zoet voedsel
  2. Leerlingen leren het woord ‘eten’ om te beschrijven wat iemand of iets doet
  3. Leerlingen leren het woord: ‘Ik hou van _____’

WOORDENSCHAT

  1. Soep
  2. Honing
  3. De beer eet honing
  4. Sap
  5. Taart
  6. ik hou van cake
  7. Chocolade
  8. ik hou van chocolade
  9. Ijsje
  10. Hij eet ijs

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video om het eerder geleerde voedsel te herhalen en nieuwe voedselvocabulaire te introduceren
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over eten 
  3. De leerlingen luisteren naar een luisterboek over eten
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 8: Dieren 3

OVERZICHT & DOEL

  • Leerlingen leren de namen van verschillende dieren
  • De leerlingen horen de zinsnede “Dit is een ______”
  • De leerlingen horen enkelvoudige en meervoudige zelfstandige naamwoorden

WOORDENSCHAT

  1. Krokodil
  2. krokodillen
  3. Dit is een krokodil
  4. Spin
  5. Dit is een spin
  6. Bij
  7. Mier
  8. Een rode mier
  9. Kikker
  10. Een groene kikker
  11. Dit is een kikker
  12. zeeschildpad
  13. Dit is een schildpad
  14. Vlinder
  15. Vlinders
  16. Dit is een vlinder
  17. Slang

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over insecten en andere dieren
  2. De leerlingen luisteren naar een audioboek over dieren
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 9: Groenten en fruit 1

OVERZICHT & DOEL                       

  1. Leerlingen leren de namen van verschillende soorten fruit
  2. Studenten leren enkel- en meervoudsvormen van de vruchten
  3. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  4. Leerlingen leren de vrucht te beschrijven door te zeggen welke kleur hij heeft

WOORDENSCHAT

  1. Aardbei
  2. Aardbeien
  3. Oranje
  4. Sinaasappels
  5. Dit is een sinaasappel
  6. sinaasappelsap
  7. Citroen
  8. Citroenen
  9. Peer
  10. peren
  11. Een rode peer
  12. Perzik
  13. Perziken
  14. Kers
  15. Kersen
  16. Grapes
  17. Groene druiven
  18. Watermeloen
  19. Dit is een watermeloen
  20. Appel
  21. Appels
  22. Banaan
  23. Meloen
  24. Deze meloen loopt

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin de fruitwoordenschat wordt geïntroduceerd
  2. De leerlingen luisteren naar een luisterboek over fruit
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit 
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 10: Groenten en fruit 2

OVERZICHT & DOEL

  1. De leerlingen bekijken de namen van fruit
  2. Leerlingen leren de namen van verschillende groenten
  3. Studenten beoordelen/leren enkelvoudige en meervoudige vormen van fruit en groenten
  4. Leerlingen leren de zinsnede “De______ is (actiewoord)”

WOORDENSCHAT

  1. Aardappel
  2. Aardappelen (meervoud)
  3. De aardappel loopt
  4. Wortel
  5. Wortelen
  6. Wortelsap
  7. De ezel eet een wortel
  8. Broccoli
  9. De ezel eet broccoli
  10. Tomaat
  11. Een rode tomaat

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze enkele fruitwoorden bespreken en groenten introduceren
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over groenten en fruit
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 11: Huishoudelijke artikelen 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de namen van sommige voorwerpen in een huis
  2. De leerlingen leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de woorden
  3. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  4. Leerlingen oefenen met het beschrijven van de kleur van het voorwerp

WOORDENSCHAT

  1. Knuffel
  2. Toys
  3. Dit is een speelgoedauto
  4. Ballon
  5. Ballonnen
  6. Een rode ballon
  7. Ball
  8. Ballen
  9. Dit is een bal
  10. Box camera's
  11. Boxen
  12. Een groene doos
  13. Boek
  14. Boeken
  15. Ze is een boek aan het lezen

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze voorwerpen van een huis introduceren
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 12: Huishoudelijke artikelen 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren meer namen van veelvoorkomende voorwerpen in een huis
  2. Studenten leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de meeste woorden
  3. Leerlingen oefenen de zinsnede “Dit is een _____”
  4. De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Er is een _____’
  5. Leerlingen maken kennis met de zinsnede “Hij is (actiewoord) de (zelfstandig naamwoord)”

WOORDENSCHAT

  1. venster
  2. Er zit een vogel op het raam
  3. Huis
  4. Huizen
  5. Deur
  6. Deuren en deurkozijnen
  7. Dit is een deur
  8. bed
  9. Hij springt op het bed
  10. Er ligt een hond op bed
  11. tafel
  12. Dit is een tafel
  13. Voorzitter
  14. Stoelen
  15. Televisie
  16. Hij kijkt naar de televisie
  17. beeld
  18. Dit is een foto

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over spullen in een huis
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 13: Huishoudelijke artikelen 3

OVERZICHT & DOEL

  1. De leerlingen leren meer woorden voor voorwerpen in een huis
  2. De leerlingen leren hoe ze de objecten kunnen beschrijven met behulp van kleurwoorden
  3. De leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  4. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Hij is (actiewoord) op het (zelfstandig naamwoord)”

WOORDENSCHAT

  1. Vlieger
  2. Een Rode Wouw
  3. Lamp
  4. Klok
  5. Dit is een klok
  6. Telefoonnummer
  7. Hij is aan het telefoneren
  8. Zak
  9. Dit is een tas
  10. Een rode tas
  11. Computer
  12. Dit is een computer

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over meer spullen in een huis
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over zojuist geleerde en eerder geleerde huisartikelen
  3. De leerlingen luisteren naar een audioboek met de woordenschat van huisitems die ze in deze les en uit eerdere lessen hebben geleerd
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 14: Dieren 4

OVERZICHT & DOEL

  1. Studenten leren meer namen van dieren (vooral boerderijdieren)
  2. De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
  3. Leerlingen oefenen meer met de zinsnede “Dit is een _____”
  4. Leerlingen leren de zinsnede “Het (dier) is (actiewoord)”

WOORDENSCHAT

  • Camel
  • kamelen
  • De Kameel eet
  • De Kameel drinkt
  • Schaap
  • Schapen (meervoud)
  • Koe
  • Koeien
  • Paard
  • Dit is een paard
  • Eend
  • Eenden
  • Baby eendjes
  • Turkije
  • Het Turkije is aan het rennen
  • Ezel
  • Dit is een ezel
  • Kruidenkip
  • kippen
  • Dit is een kip
  • Kuiken
  • Chicks
  • Een geel kuiken
  • Haan
  • Dit is een haan
  • Varken

PROCEDURE 

  1. Leerlingen bekijken een video waarin ze nieuwe dieren introduceren 
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 15: Natuur 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren woorden voor dingen die ze vaak buiten in de natuur zien
  2. De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
  3. Leerlingen oefenen meer met het omzetten van woorden in zinnen, zoals ‘Dit is een _____’ en ‘Het (natuurwoord-zelfstandig naamwoord) is (bijvoeglijk naamwoord)’

WOORDENSCHAT

  • Boom
  • Bomen
  • Dit is een boom
  • Een groene boom
  • Zon
  • De zon is heet
  • Moon
  • Maan en sterren
  • Ster
  • Sterren
  • Forest
  • Het bos is groen
  • Bloem
  • Bloemen
  • Roze Bloemen
  • Zee
  • De zee is blauw
  • Hemel
  • De lucht is blauw
  • Cloud
  • wolken
  • Er Is Een Kat Op De Wolken

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze nieuwe natuurwoorden introduceren
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 16: Natuur 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren meer natuurwoorden
  2. De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Het is _______’ om het weer te beschrijven 
  3. Studenten oefenen met het beschrijven van zelfstandige naamwoorden met behulp van kleurwoorden 

WOORDENSCHAT

  • Sneeuw
  • Het sneeuwt
  • Regen 
  • Regenboog
  • Het regent
  • Grass
  • Green Grass
  • rots
  • Rocks

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video over natuurwoorden en herhalen enkele woorden uit de vorige les
  2. De leerlingen luisteren naar een lied over natuurwoorden
  3. De leerlingen luisteren naar een audioboek over natuurwoorden die ze in deze les en de vorige les hebben geleerd
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 17: Dieren 5

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de namen van enkele dieren die in de zee leven
  2. Studenten leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van enkele woorden
  3. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een ______”

WOORDENSCHAT

  • haai 
  • Dit is een haai
  • Dolfijn 
  • dolfijnen
  • pinguïn 
  • Penguins 
  • Dit is een pinguïn
  • Walvis

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een korte video over dieren 
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 18: Acties 1

OVERZICHT & DOEL

  1. De leerlingen maken kennis met actiewoorden die eindigen op -ing
  2. Leerlingen leren hoe ze kunnen zeggen wat iemand of iets doet door de zinsneden ‘Hij/Zij is ______’, ‘Ze zijn ______’ en ‘Het (dier) is ______’ te gebruiken.

WOORDENSCHAT

  • Drinken 
  • Hij drinkt
  • Ze is aan het drinken
  • Het meisje drinkt water
  • lezing 
  • Hij leest
  • De Uil leest
  • Ze zijn aan het lezen
  • Op zoek 
  • Hij kijkt
  • Ze zijn aan het kijken
  • Het Turkije kijkt
  • Play
  • Spelen 
  • Hij is aan het spelen
  • Ze zijn aan het spelen 
  • Hij speelt basketbal
  • Ze speelt voetbal (voetbal)
  • Wandelen 
  • Hij loopt
  • Zij loopt
  • Ze lopen
  • Het paard loopt
  • Hardlopen 
  • Hij is aan het rennen 
  • Zij is aan het rennen
  • Ze zijn aan het lopen
  • Het paard rent
  • Het eten
  • Hij is aan het eten
  • Ze is aan het eten
  • Ze zijn aan het eten
  • De kuikens eten

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over actiewoorden, terwijl ze de namen en nummers van dieren bekijken
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 19: Acties 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen maken kennis met meer actiewoorden die eindigen op -ing
  2. Leerlingen leren hoe ze kunnen zeggen wat iemand of iets doet door de zinsneden ‘Hij/Zij is ______’, ‘Ze zijn ______’ en ‘Het (dier of voorwerp) is ______’ te gebruiken.

WOORDENSCHAT

  • Ruiken
  • Ze ruikt
  • Ze ruikt een bloem
  • slapen
  • Hij ligt te slapen
  • De baby slaapt
  • Zij zijn aan het slapen
  • De beer slaapt
  • Jumping
  • Hij is aan het springen
  • Ze springt
  • Ze springen
  • De kangoeroe springt
  • Zwemmen
  • Hij zwemt
  • De schildpad zwemt
  • De vis zwemt
  • Flying
  • Hij vliegt
  • De vogel vliegt
  • De helikopter vliegt
  • Lachend
  • Hij glimlacht
  • Zij lacht
  • Zij glimlachen
  • Dans
  • Dansen
  • Hij is aan het dansen
  • Ze zijn aan het dansen
  • Het varken danst
  • De koe danst

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video om hen kennis te laten maken met nieuwe actiewoorden
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over actiewoorden
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 20: Familie 1

OVERZICHT & DOEL

  1. De leerlingen leren de namen van familieleden
  2. De leerlingen leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de woorden
  3. Leerlingen oefenen met de zinnen “Dit is een _____” 
  4. Leerlingen leren de zinsnede “Hij/zij is het (familielid)”

WOORDENSCHAT

  • Baby winterjas
  • Babies
  • Dit is een baby
  • Hallo schat
  • Boy
  • Jongens
  • Dit is een jongen
  • Drie jongens
  • Girl
  • Meisjes
  • Dit is een meisje
  • Een jongen en een meisje
  • Heren
  • Dit is een man
  • De man danst
  • Dames
  • Dit is een vrouw
  • Een man en een vrouw
  • Vader
  • Hij is de vader
  • Moeder
  • Zij is de moeder
  • Dit is een gezin

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video over familieleden
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over familieleden
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 21: Voertuigen 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Studenten leren de namen van verschillende voertuigen en vervoerswijzen
  2. De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
  3. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  4. Leerlingen oefenen met kleuren en cijfers om de vervoerswijzen te beschrijven

WOORDENSCHAT

  • Fiets
  • Fietsen
  • Dit is een fiets
  • Motor
  • Een gele motorfiets
  • Auto
  • Auto's
  • Dit is een auto
  • Een rode auto
  • Bus
  • Een gele bus
  • Vrachtwagen
  • De vrachtwagen loopt
  • Een rode vrachtwagen
  • Trainen
  • Dit is een trein
  • Helikopter
  • De helikopter vliegt
  • Dit is een helikopter
  • Vliegtuig
  • Vier vliegtuigen
  • Het vliegtuig vliegt
  • Boot
  • Raket
  • Drie raketten

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video over vervoerswijzen 
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over vervoerswijzen
  3. De leerlingen luisteren naar een audioboek over voertuigen
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 22: Lichaamsdelen 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de namen van lichaamsdelen
  2. Studenten leren de enkel- en meervoudsvormen van de lichaamsdelen
  3. Studenten oefenen met het gebruik van kleuren en cijfers om lichaamsdelen te beschrijven

WOORDENSCHAT

  • Lichaam
  • Voeten
  • Voet
  • Arm
  • Arms
  • Hand
  • handen
  • Voet
  • Benen
  • Gezicht
  • Een lachend gezicht
  • Vinger
  • Five Fingers
  • Mond
  • Neus
  • Oor
  • Oren
  • Hoofd
  • Oog
  • Ogen
  • Gele ogen
  • Haar
  • Bruin haar

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over lichaamsdelen
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over lichaamsdelen
  3. De leerlingen luisteren naar een audioboek over lichaamsdelen
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  5. De leerlingen maken een korte test

Les 23: Dieren 6

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren de namen van dieren (vogels)
  2. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  3. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Het (dier) is ______”
  4. De leerlingen bekijken hoe ze een dier kunnen beschrijven met behulp van kleurwoorden

WOORDENSCHAT

  • Flamingo
  • Het zijn flamingo's
  • Uil
  • De Uil leest
  • Een Groene Uil
  • Eagle
  • De adelaar vliegt
  • struisvogel
  • Dit is een struisvogel
  • Papegaai
  • Dit is een papegaai
  • Een witte papegaai

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze kennismaken met vogels 
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over dieren
  3. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  4. De leerlingen maken een korte test

Les 24: Kleding 1

OVERZICHT & DOEL

  1. Leerlingen leren namen voor kledingstukken
  2. Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
  3. Leerlingen leren hoe ze een kledingstuk op kleur kunnen omschrijven

WOORDENSCHAT

  • Broeken
  • Blauwe broek
  • Rok
  • Een roze rok
  • Jurken
  • Een paarse jurk
  • Trui
  • Een groene trui
  • Een paarse trui
  • Hoed
  • Dit is een hoed
  • Shirt
  • Jas

PROCEDURE

  1. Leerlingen bekijken een video over kledingstukken
  2. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  3. De leerlingen maken een korte test

Les 25: Kleding 2

OVERZICHT & DOEL

  1. Studenten leren meer namen voor kledingartikelen (schoenen en accessoires)
  2. Studenten oefenen met de enkel- en meervoudsvormen van de woorden
  3. Leerlingen oefenen met het beschrijven van de kledingstukken met behulp van kleurwoorden

WOORDENSCHAT

  • schoen
  • Schoenen
  • Laarzen
  • Bruine schoenen
  • Groene laarzen
  • Sokken
  • Een sok
  • Handschoen
  • Handschoenen
  • Rode handschoenen
  • Sjaal
  • Dit is een sjaal
  • Een rode sjaal
  • Glazen
  • Roze bril

PROCEDURE

  1. De leerlingen bekijken een video waarin ze enkele kledingstukken uit de vorige les bespreken en nieuwe kledingstukken introduceren (schoenen en accessoires)
  2. De leerlingen luisteren naar een liedje over kleding
  3. Leerlingen luisteren naar een luisterboek over kleding
  4. De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
  5. De leerlingen maken een korte test

Einde van niveau 1

4.6/5 - (7 stemmen)

Laat een bericht achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd *

Scroll naar boven