Leerplan: Niveau 1
Geschreven door Raquel MacKay: Leraar, Engels ESL en Spaans K tot 8
Les 1: Dieren 1
OVERZICHT & DOEL
- Studenten leren de namen van gewone huisdieren en huisdieren
- De leerlingen maken kennis met meervoudige en enkelvoudige zelfstandige naamwoorden
- Leerlingen leren zeggen: “Dit is een _________”
- Studenten maken kennis met “en”
WOORDENSCHAT
- Vogel
- Vogels
- Een blauwe vogel
- Hond
- Twee honden
- Dit is een hond
- Kat
- Hallo, ik ben een kat
- Een kat en een hond
- Vis
- Dit is een vis
ONLINE-ACTIVITEITEN
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- Leerlingen bekijken een video met nieuwe woordenschat
- De leerlingen maken een korte test
OFFLINE-ACTIVITEITEN
- Print en knip Dieren 1 flashcards
- Print de werkbladen Dieren 1 van 1 tot en met 5 en vul deze in
Les 2: Getallen 1
OVERZICHT & DOEL
- De leerlingen leren de cijfers 1 t/m 10
- De leerlingen leren hoe ze een getal voor een zelfstandig naamwoord kunnen zetten
- De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Er zijn______’
WOORDENSCHAT
- One
- Twee
- Drie
- Vier
- Vijf
- Zes
- Zeven
- Acht
- Negen
- Tien
- Eén tijger
- Twee leeuwen
- Drie raketten
- Drie eenden
- Vier pinguïns
- Zes dinosaurussen
- Er zijn zes dozen
- Er zijn acht nijlpaarden
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video
- De leerlingen luisteren naar een liedje over getallen
- De leerlingen luisteren naar een luisterboek over getallen
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
OFFLINE-ACTIVITEITEN
- Nummers 1 poster afdrukken
- Print Numbers1 woordenschat
- Print en knip de Flashcards van Nummer 1 uit
- Print de werkbladen van Nummer 1 van 1 tot en met 5 uit en vul deze in
Bekijk een voorbeeldvideo: Les 1 -> Dieren 1
Les 3: Dieren 2
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van verschillende dieren
- De leerlingen horen de zinsnede “Dit is een ______”
- Leerlingen maken kennis met het woord ‘baby’
- De leerlingen horen enkelvoudige en meervoudige zelfstandige naamwoorden
WOORDENSCHAT
- Olifant
- Een babyolifant
- leeuw
- Lions
- Dit is een leeuw
- Zebra
- Zebra's
- Een babyzebra en een mamazebra
- Aap
- Apen
- gorilla
- Dit is een babygorilla
- Giraffe
- Een babygiraffe
- Hert
- Dit is een hert
- Tijger
- Dit is een witte tijger
- Beer
- De beer eet honing
- Neushoorn
- Konijn
- Dit is een konijn
- Muis
- Dit is een muis
- Nijlpaard
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over wilde dieren
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over dieren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
OFFLINE ACTIVITEITEN – VUL DEZE SECTIE IN
- werkbladen
- Flashcards
Les 4: Kleuren 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de kleuren: blauw, rood, geel, paars en groen
- Leerlingen leren hoe ze het woord “a” voor het bijvoeglijk naamwoord (kleur) en het zelfstandig naamwoord kunnen plaatsen
- De leerlingen concentreren zich op enkelvoudige zelfstandige naamwoorden
WOORDENSCHAT
- Blauw
- Een blauwe hoed
- Een blauwe vis
- Een blauwe jurk
- Rood
- Een rode hoed
- Geel
- Een gele slang
- Paars
- Een paarse eend
- Een paarse octopus
- Een paarse hoed
- Groen
- Een groene auto
- Een groene dinosaurus
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin de kleuren en zelfstandige naamwoorden worden geïntroduceerd
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over de kleuren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 5: Kleuren 2
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de kleuren: roze, zwart, bruin, wit, rood en oranje
- De leerlingen leren een “a” voor het bijvoeglijk naamwoord (kleuren) en het enkelvoudig zelfstandig naamwoord te zetten
- Leerlingen leren dat de kleur vóór het zelfstandig naamwoord komt, zowel in het enkelvoud als in het meervoud
- Leerlingen oefenen met het woord ‘en’
WOORDENSCHAT
- Roze
- Een roze auto
- Roze schoenen
- Roze olifanten
- Roze flamingo's
- Zwart
- Een zwart paard
- Een zwarte kat
- Zwart-wit
- Bruin
- Een bruine hond
- Een bruine draak
- Een bruine aap
- Wit
- Een witte bal
- rood en groen
- Een rode draak
- Oranje
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze eerder geleerde kleuren herhalen en nieuwe woordenschat over kleuren introduceren
- De leerlingen luisteren naar een liedje over kleuren
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over kleuren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 6: Eten 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren basiswoorden over eten en drinken
- De leerlingen leren het woord ‘drinken’ terwijl ze enkele dieren uit eerdere lessen bekijken
- Leerlingen leren dat het meervoud van 'ei' een 's' heeft, terwijl de andere woorden hetzelfde blijven, ongeacht of ze enkelvoud of meervoud zijn
WOORDENSCHAT
- Melk
- De kat drinkt melk
- Snijden
- De muis is dol op kaas
- Ei
- Eieren
- Een blauw ei
- Water
- De hond drinkt water
- Brood
- Boter
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over basisvoedsel en -drinken
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 7: Eten 2
OVERZICHT & DOEL
- Studenten leren meer voedselwoorden, met de nadruk op zoet voedsel
- Leerlingen leren het woord ‘eten’ om te beschrijven wat iemand of iets doet
- Leerlingen leren het woord: ‘Ik hou van _____’
WOORDENSCHAT
- Soep
- Honing
- De beer eet honing
- Sap
- Taart
- ik hou van cake
- Chocolade
- ik hou van chocolade
- Ijsje
- Hij eet ijs
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video om het eerder geleerde voedsel te herhalen en nieuwe voedselvocabulaire te introduceren
- De leerlingen luisteren naar een liedje over eten
- De leerlingen luisteren naar een luisterboek over eten
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 8: Dieren 3
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van verschillende dieren
- De leerlingen horen de zinsnede “Dit is een ______”
- De leerlingen horen enkelvoudige en meervoudige zelfstandige naamwoorden
WOORDENSCHAT
- Krokodil
- krokodillen
- Dit is een krokodil
- Spin
- Dit is een spin
- Bij
- Mier
- Een rode mier
- Kikker
- Een groene kikker
- Dit is een kikker
- zeeschildpad
- Dit is een schildpad
- Vlinder
- Vlinders
- Dit is een vlinder
- Slang
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over insecten en andere dieren
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over dieren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 9: Groenten en fruit 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van verschillende soorten fruit
- Studenten leren enkel- en meervoudsvormen van de vruchten
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen leren de vrucht te beschrijven door te zeggen welke kleur hij heeft
WOORDENSCHAT
- Aardbei
- Aardbeien
- Oranje
- Sinaasappels
- Dit is een sinaasappel
- sinaasappelsap
- Citroen
- Citroenen
- Peer
- peren
- Een rode peer
- Perzik
- Perziken
- Kers
- Kersen
- Grapes
- Groene druiven
- Watermeloen
- Dit is een watermeloen
- Appel
- Appels
- Banaan
- Meloen
- Deze meloen loopt
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin de fruitwoordenschat wordt geïntroduceerd
- De leerlingen luisteren naar een luisterboek over fruit
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 10: Groenten en fruit 2
OVERZICHT & DOEL
- De leerlingen bekijken de namen van fruit
- Leerlingen leren de namen van verschillende groenten
- Studenten beoordelen/leren enkelvoudige en meervoudige vormen van fruit en groenten
- Leerlingen leren de zinsnede “De______ is (actiewoord)”
WOORDENSCHAT
- Aardappel
- Aardappelen (meervoud)
- De aardappel loopt
- Wortel
- Wortelen
- Wortelsap
- De ezel eet een wortel
- Broccoli
- De ezel eet broccoli
- Tomaat
- Een rode tomaat
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze enkele fruitwoorden bespreken en groenten introduceren
- De leerlingen luisteren naar een liedje over groenten en fruit
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 11: Huishoudelijke artikelen 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van sommige voorwerpen in een huis
- De leerlingen leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de woorden
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen oefenen met het beschrijven van de kleur van het voorwerp
WOORDENSCHAT
- Knuffel
- Toys
- Dit is een speelgoedauto
- Ballon
- Ballonnen
- Een rode ballon
- Ball
- Ballen
- Dit is een bal
- Box camera's
- Boxen
- Een groene doos
- Boek
- Boeken
- Ze is een boek aan het lezen
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze voorwerpen van een huis introduceren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 12: Huishoudelijke artikelen 2
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren meer namen van veelvoorkomende voorwerpen in een huis
- Studenten leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de meeste woorden
- Leerlingen oefenen de zinsnede “Dit is een _____”
- De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Er is een _____’
- Leerlingen maken kennis met de zinsnede “Hij is (actiewoord) de (zelfstandig naamwoord)”
WOORDENSCHAT
- venster
- Er zit een vogel op het raam
- Huis
- Huizen
- Deur
- Deuren en deurkozijnen
- Dit is een deur
- bed
- Hij springt op het bed
- Er ligt een hond op bed
- tafel
- Dit is een tafel
- Voorzitter
- Stoelen
- Televisie
- Hij kijkt naar de televisie
- beeld
- Dit is een foto
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over spullen in een huis
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 13: Huishoudelijke artikelen 3
OVERZICHT & DOEL
- De leerlingen leren meer woorden voor voorwerpen in een huis
- De leerlingen leren hoe ze de objecten kunnen beschrijven met behulp van kleurwoorden
- De leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Hij is (actiewoord) op het (zelfstandig naamwoord)”
WOORDENSCHAT
- Vlieger
- Een Rode Wouw
- Lamp
- Klok
- Dit is een klok
- Telefoonnummer
- Hij is aan het telefoneren
- Zak
- Dit is een tas
- Een rode tas
- Computer
- Dit is een computer
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over meer spullen in een huis
- De leerlingen luisteren naar een liedje over zojuist geleerde en eerder geleerde huisartikelen
- De leerlingen luisteren naar een audioboek met de woordenschat van huisitems die ze in deze les en uit eerdere lessen hebben geleerd
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 14: Dieren 4
OVERZICHT & DOEL
- Studenten leren meer namen van dieren (vooral boerderijdieren)
- De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
- Leerlingen oefenen meer met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen leren de zinsnede “Het (dier) is (actiewoord)”
WOORDENSCHAT
- Camel
- kamelen
- De Kameel eet
- De Kameel drinkt
- Schaap
- Schapen (meervoud)
- Koe
- Koeien
- Paard
- Dit is een paard
- Eend
- Eenden
- Baby eendjes
- Turkije
- Het Turkije is aan het rennen
- Ezel
- Dit is een ezel
- Kruidenkip
- kippen
- Dit is een kip
- Kuiken
- Chicks
- Een geel kuiken
- Haan
- Dit is een haan
- Varken
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video waarin ze nieuwe dieren introduceren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 15: Natuur 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren woorden voor dingen die ze vaak buiten in de natuur zien
- De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
- Leerlingen oefenen meer met het omzetten van woorden in zinnen, zoals ‘Dit is een _____’ en ‘Het (natuurwoord-zelfstandig naamwoord) is (bijvoeglijk naamwoord)’
WOORDENSCHAT
- Boom
- Bomen
- Dit is een boom
- Een groene boom
- Zon
- De zon is heet
- Moon
- Maan en sterren
- Ster
- Sterren
- Forest
- Het bos is groen
- Bloem
- Bloemen
- Roze Bloemen
- Zee
- De zee is blauw
- Hemel
- De lucht is blauw
- Cloud
- wolken
- Er Is Een Kat Op De Wolken
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze nieuwe natuurwoorden introduceren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 16: Natuur 2
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren meer natuurwoorden
- De leerlingen maken kennis met de zinsnede ‘Het is _______’ om het weer te beschrijven
- Studenten oefenen met het beschrijven van zelfstandige naamwoorden met behulp van kleurwoorden
WOORDENSCHAT
- Sneeuw
- Het sneeuwt
- Regen
- Regenboog
- Het regent
- Grass
- Green Grass
- rots
- Rocks
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video over natuurwoorden en herhalen enkele woorden uit de vorige les
- De leerlingen luisteren naar een lied over natuurwoorden
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over natuurwoorden die ze in deze les en de vorige les hebben geleerd
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 17: Dieren 5
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van enkele dieren die in de zee leven
- Studenten leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van enkele woorden
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een ______”
WOORDENSCHAT
- haai
- Dit is een haai
- Dolfijn
- dolfijnen
- pinguïn
- Penguins
- Dit is een pinguïn
- Walvis
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een korte video over dieren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 18: Acties 1
OVERZICHT & DOEL
- De leerlingen maken kennis met actiewoorden die eindigen op -ing
- Leerlingen leren hoe ze kunnen zeggen wat iemand of iets doet door de zinsneden ‘Hij/Zij is ______’, ‘Ze zijn ______’ en ‘Het (dier) is ______’ te gebruiken.
WOORDENSCHAT
- Drinken
- Hij drinkt
- Ze is aan het drinken
- Het meisje drinkt water
- lezing
- Hij leest
- De Uil leest
- Ze zijn aan het lezen
- Op zoek
- Hij kijkt
- Ze zijn aan het kijken
- Het Turkije kijkt
- Play
- Spelen
- Hij is aan het spelen
- Ze zijn aan het spelen
- Hij speelt basketbal
- Ze speelt voetbal (voetbal)
- Wandelen
- Hij loopt
- Zij loopt
- Ze lopen
- Het paard loopt
- Hardlopen
- Hij is aan het rennen
- Zij is aan het rennen
- Ze zijn aan het lopen
- Het paard rent
- Het eten
- Hij is aan het eten
- Ze is aan het eten
- Ze zijn aan het eten
- De kuikens eten
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over actiewoorden, terwijl ze de namen en nummers van dieren bekijken
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 19: Acties 2
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen maken kennis met meer actiewoorden die eindigen op -ing
- Leerlingen leren hoe ze kunnen zeggen wat iemand of iets doet door de zinsneden ‘Hij/Zij is ______’, ‘Ze zijn ______’ en ‘Het (dier of voorwerp) is ______’ te gebruiken.
WOORDENSCHAT
- Ruiken
- Ze ruikt
- Ze ruikt een bloem
- slapen
- Hij ligt te slapen
- De baby slaapt
- Zij zijn aan het slapen
- De beer slaapt
- Jumping
- Hij is aan het springen
- Ze springt
- Ze springen
- De kangoeroe springt
- Zwemmen
- Hij zwemt
- De schildpad zwemt
- De vis zwemt
- Flying
- Hij vliegt
- De vogel vliegt
- De helikopter vliegt
- Lachend
- Hij glimlacht
- Zij lacht
- Zij glimlachen
- Dans
- Dansen
- Hij is aan het dansen
- Ze zijn aan het dansen
- Het varken danst
- De koe danst
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video om hen kennis te laten maken met nieuwe actiewoorden
- De leerlingen luisteren naar een liedje over actiewoorden
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 20: Familie 1
OVERZICHT & DOEL
- De leerlingen leren de namen van familieleden
- De leerlingen leren de enkelvouds- en meervoudsvormen van de woorden
- Leerlingen oefenen met de zinnen “Dit is een _____”
- Leerlingen leren de zinsnede “Hij/zij is het (familielid)”
WOORDENSCHAT
- Baby winterjas
- Babies
- Dit is een baby
- Hallo schat
- Boy
- Jongens
- Dit is een jongen
- Drie jongens
- Girl
- Meisjes
- Dit is een meisje
- Een jongen en een meisje
- Heren
- Dit is een man
- De man danst
- Dames
- Dit is een vrouw
- Een man en een vrouw
- Vader
- Hij is de vader
- Moeder
- Zij is de moeder
- Dit is een gezin
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video over familieleden
- De leerlingen luisteren naar een liedje over familieleden
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 21: Voertuigen 1
OVERZICHT & DOEL
- Studenten leren de namen van verschillende voertuigen en vervoerswijzen
- De leerlingen leren de enkel- en meervoudsvormen van sommige woorden
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen oefenen met kleuren en cijfers om de vervoerswijzen te beschrijven
WOORDENSCHAT
- Fiets
- Fietsen
- Dit is een fiets
- Motor
- Een gele motorfiets
- Auto
- Auto's
- Dit is een auto
- Een rode auto
- Bus
- Een gele bus
- Vrachtwagen
- De vrachtwagen loopt
- Een rode vrachtwagen
- Trainen
- Dit is een trein
- Helikopter
- De helikopter vliegt
- Dit is een helikopter
- Vliegtuig
- Vier vliegtuigen
- Het vliegtuig vliegt
- Boot
- Raket
- Drie raketten
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video over vervoerswijzen
- De leerlingen luisteren naar een liedje over vervoerswijzen
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over voertuigen
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 22: Lichaamsdelen 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van lichaamsdelen
- Studenten leren de enkel- en meervoudsvormen van de lichaamsdelen
- Studenten oefenen met het gebruik van kleuren en cijfers om lichaamsdelen te beschrijven
WOORDENSCHAT
- Lichaam
- Voeten
- Voet
- Arm
- Arms
- Hand
- handen
- Voet
- Benen
- Gezicht
- Een lachend gezicht
- Vinger
- Five Fingers
- Mond
- Neus
- Oor
- Oren
- Hoofd
- Oog
- Ogen
- Gele ogen
- Haar
- Bruin haar
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over lichaamsdelen
- De leerlingen luisteren naar een liedje over lichaamsdelen
- De leerlingen luisteren naar een audioboek over lichaamsdelen
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 23: Dieren 6
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren de namen van dieren (vogels)
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Het (dier) is ______”
- De leerlingen bekijken hoe ze een dier kunnen beschrijven met behulp van kleurwoorden
WOORDENSCHAT
- Flamingo
- Het zijn flamingo's
- Uil
- De Uil leest
- Een Groene Uil
- Eagle
- De adelaar vliegt
- struisvogel
- Dit is een struisvogel
- Papegaai
- Dit is een papegaai
- Een witte papegaai
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze kennismaken met vogels
- De leerlingen luisteren naar een liedje over dieren
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 24: Kleding 1
OVERZICHT & DOEL
- Leerlingen leren namen voor kledingstukken
- Leerlingen oefenen met de zinsnede “Dit is een _____”
- Leerlingen leren hoe ze een kledingstuk op kleur kunnen omschrijven
WOORDENSCHAT
- Broeken
- Blauwe broek
- Rok
- Een roze rok
- Jurken
- Een paarse jurk
- Trui
- Een groene trui
- Een paarse trui
- Hoed
- Dit is een hoed
- Shirt
- Jas
PROCEDURE
- Leerlingen bekijken een video over kledingstukken
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Les 25: Kleding 2
OVERZICHT & DOEL
- Studenten leren meer namen voor kledingartikelen (schoenen en accessoires)
- Studenten oefenen met de enkel- en meervoudsvormen van de woorden
- Leerlingen oefenen met het beschrijven van de kledingstukken met behulp van kleurwoorden
WOORDENSCHAT
- schoen
- Schoenen
- Laarzen
- Bruine schoenen
- Groene laarzen
- Sokken
- Een sok
- Handschoen
- Handschoenen
- Rode handschoenen
- Sjaal
- Dit is een sjaal
- Een rode sjaal
- Glazen
- Roze bril
PROCEDURE
- De leerlingen bekijken een video waarin ze enkele kledingstukken uit de vorige les bespreken en nieuwe kledingstukken introduceren (schoenen en accessoires)
- De leerlingen luisteren naar een liedje over kleding
- Leerlingen luisteren naar een luisterboek over kleding
- De leerlingen voltooien een op woordenschat gebaseerde spelactiviteit
- De leerlingen maken een korte test
Einde van niveau 1